Naar Zee

‘Heb je even?’

En voor ik ja kan zeggen, begint ze. Ze brengt het als een luchtig verhaal, alsof het niet over haar gaat. Alsof het niet haar man is, die nachtenlang niet thuiskomt. Alsof het niet haar bed is, waar ze een oorbel in vond nadat ze een weekendje met de kinderen bij haar ouders was. Alsof het niet zijzelf was, die na het lezen van zijn e-mails zeker weet dat hij een verhouding heeft. Alsof de afzenders van de mails maar vage onbekenden waren.

Alsof het niet haar buurvrouw is, met wie haar man het doet.

Ze heeft het hem gevraagd. Hij ontkende alles. Ze heeft hem de oorbel laten zien. Hij wist van niks. Ze sloeg hem met de uitgeprinte mails om de oren. Hij zei dat het slechts een spannende mailwisseling was. Dat hij gewoon wat spanning zocht bij dat mens. Dat het niks betekende. Dat hij van háár hield en van niemand anders.

Meer vroeg ze niet.

Ze kookte elke avond, bracht de kinderen naar school en haalde ze weer op. Maakte broodjes voor de vele vriendjes van de kinderen, reed naar hockey voor de hele buurt, werkte ook nog tussendoor en was lief voor haar man die het zo druk had dat hij haar ‘s-avonds nauwelijks groette als hij thuis kwam. Haar drukke man, die zo moe was dat hij op zolder was gaan slapen omdat zij snurkte. Het leven ging weer door. Dag in dag uit, weken, maanden lang.

Zijn koffer stond in de gang toen ze thuis kwam. ‘Moet je op reis?’, vroeg ze. ‘Nee, ik vertrek’, zei hij. En weer stelde ze weinig vragen. Hij had even wat ruimte nodig voor zichzelf, zei hij. ‘En wij dan?’, vroeg zij. ‘Jullie zijn mijn schatten, ik blijf voor jullie zorgen, geef me even wat tijd.’
‘Waar ga je naar toe?’, vroeg ze. Naar een hotel aan zee. Alléén natuurlijk, wat dacht zij. Uitwaaien, wandelen, nadenken. Hij was begin veertig, zijn carrière in het slop. Hij wilde wat anders, een eigen bedrijf, een ander beroep. Maar overdag moest hij werken en thuis was het zo druk. Hij kon niet nadenken met iedereen om hem heen.

Ze zwaaide hem uit. ‘Doe voorzichtig en kom terug’, zei ze.

En ‘s-avonds aten ze pannenkoeken en vertelde ze de kinderen dat papa even op reis moest. En toen iedereen op bed lag, dronk ze een fles wijn leeg en huilde ze hete lange tranen.

‘s-Ochtends liep ze in haar ochtendjas de voortuin in. De buurman zat op het stoepje. ‘Ze zijn samen weg’, zei hij. Terwijl ze de krant uit de brievenbus haalde, keek ze de buurman even aan. Hij huilde.

Ze zei: ‘Dat weet ik’.  Ze liep naar binnen.

De kinderen moesten naar school.