Amir

Soms vraag ik me af hoe het na al die jaren met hem gaat. Hij moet nu 19 zijn. Toen ik nog maar een paar jaar (asiel)advocaat was schreef ik dit verhaaltje over hem.

Amir

Ik ben hun vierde advocaat. De vorigen gaven het op, ik kan dat niet. Om haar, om de zaak maar vooral om hem.

Hij is zes en heet Amir. Hij is hier geboren en praat Nederlands met een Utrechts accentje. Zijn moeder praat ook Nederlands, maar met af en toe een Perzisch woord. Haar paspoort is Iraans, dat van Amir Nederlands. Zij mag niet in Nederland blijven. Amir wel. Want zijn vader, de man die zijn moeder vroeger zo vreselijk hard sloeg, is Nederlander. Vader en moeder zijn al jaren uit elkaar. Als Amir omgang met zijn Nederlandse vader heeft, bestaat er volgens de wet een belang voor moeder en kind om in Nederland te blijven. Het is haar enige kans.

Amir wil zijn vader niet zien.

Hij wil voetballen.

De Raad voor de Kinderbescherming vindt het niet in het belang van Amir dat hij omgaat met zijn vader. Amir’s trauma is te groot. De moed zakt in ieders schoenen. Zonder die omgang tussen Amir en vader moet hij met zijn moeder mee, terug naar Iran. Kleine kinderen zijn immers nog niet geworteld in Nederland, dat is het beleid.

Amir scoort wekelijks.

Weken, maanden gaan voorbij. We procederen tegen alles en iedereen. Het antwoord is steeds negatief. Er loopt nog 1 procedure. Alles wordt uit de kast gehaald; buren schrijven brieven, kinderen van school maken tekeningen en de voetbalvereniging organiseert een toernooi voor Amir en zijn moeder.

Amir mist een strafschop.

Op een zonnige vrijdag komt het verlossende woord van de Minister. Moeder en Amir mogen blijven.

Amir pakt op. Bij het horen van mijn naam roept hij zijn moeder. Ik zeg nog snel tegen ‘m dat ik goed nieuws heb. Zijn moeder neemt de telefoon van hem over.

Op de achtergrond zingt Amir : “Olé olé!”